Beroepsbelangencommissie (BBC)

Samenstelling beroepsbelangencommissie
Mevrouw J.J. Veris-van Dieren, voorzitter (2014)
Mevrouw dr. P.A.J.M. Vos, secretaris (2013)
A.H.Gerards (2014)
Mevrouw A.M. Schilder (2014)
A.E. van der Bijl (2015)
W. Vercoutere (2014), webmaster
A. de Boer
K.J. Bhansing, namens juniorensectie

A. TIJDSLIJN ZORG EN OVERHEID:

Jaartal – wet – doel

1941       Ziekenfondswet (ZFW)  toegankelijkheid curatieve zorg voor iedereen
1968       Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) collectieve verzekering tegen ‘onverzekerbare risico’s’
1971       Wet Ziekenhuis Voorzieningen (WZV) regulering van capaciteit en toetreding
1977-95  Financieel Overzicht Gezondheidszorg (FOG)/Budgettair Kader Zorg (BKZ): nationaal kostenplafond
1981       Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG)  regulering tarieven en budgettering
1997       Wet Bijzondere Medische Verrichtingen (WBMV) regulering van dure medische voorzieningen
2006       Zorgverzekeringswet (ZVW)  basisverzekering en invoering marktwerking onder zorgverzekeraars
2006       Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi)  liberalisering van de toetreding tot de zorgmarkt
2006       Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) regulering van de marktwerking in de zorg
2012       DBC naar DOT   budgettering wordt afgeschaft
2014       GEEN budgetering meer …..
2015       Wet langdurige Zorg (Wlz). AWBZ wordt opgeheven, uitvoerende macht naar gemeenten.

Zorgverzekeringswet (ZVW) kwam onder toezicht van de Tweede Kamer, met als gevolg dat zorgverzekeraars enkel op prijs kunnen concurreren aangezien de core business vastligt in ZVW.
Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) geeft NZa de verplichting declaratieregels op te stellen en de rekening kan enkel geïnd worden conform regels, dus wordt er in DOT’s gedeclareerd.

B. INKOMENDE VRAGEN:

1. Declaratie Rituximab/anakinra nog mogelijk?
Voor Anakinra had men de verrichtingcode vanaf 31-12-2013 ongeldig gemaakt (DBC-O uitlevering RZ14b). In de nieuwe uitlevering (RZ14c) is dit met terugwerkende kracht gecorrigeerd en kan er weer geregistreerd en gedeclareerd worden op de code voor Anakinra. Voor Rituximab was de betreffende verrichtingcode nog wel geldig, want oncologie maakt daar ook gebruik van. Echter was de combinatie van deze verrichting code met de diagnose niet geldig (dus RA met Rituximab mocht je formeel niet declareren). Ook dit is met terugwerkende kracht gecorrigeerd. Declareren als add-on betekent niet dat er automatisch budget voor is, maar slechts, dat het geneesmiddel naast de DBC gedeclareerd wordt. Of er een vergoeding tegenover staat en of er budget voor is hangt af van de vergoedingregels en van de lokale afspraken intern en extern.

Bijlage: Handboek Gebruik Zorgactiviteiten bijgewerkt tot en met RZ14c Versie 20140501

2. Add-on declaratie 2015?
Op dit moment dienen biologicals nog gekoppeld te worden aan een DOT product en in 2015 verwachten we meer uitval  ten gevolge van de 120 dagen regel. DBC-O is voornemens om de declaratie van dure geneesmiddelen los te zien van de DOT systematiek. Zie de voetnoten in de bijlage op pag. 9, pag. 18 en pag. 33. Oftewel: het lijkt erop dat de dure geneesmiddelen gewoon gedeclareerd kunnen worden. Hoe het e.e.a. er exact uit gaat zien weten we nog niet.

Bijlage: 20150101RSAD-document

3. Multidisciplinair zorgtraject: hoe zijn de registratieregels?
In de bijlage een redelijk recente brief van de NZa waar ingegaan wordt op een aantal definities. Of een specialist een eigen DBC mag openen of niet koppelt de NZa aan het begrip Zorgvraag en dit begrip dient gedefinieerd te worden vanuit de patiënt (en niet vanuit de specialist), zie punt 1.3 op pag. 3.  Op pag. 4 staat: “Wanneer sprake is van diagnostiek door het ene specialisme en behandeling door het andere specialisme mag er volgens de huidige regelgeving één zorgtraject worden gedeclareerd. ”  Oftewel indien een patiënt zich meldt met een polsfractuur en de chirurg doet een polibezoek en de orthopeed behandelt (opereert / schrijft verdere behandeling voor) de patiënt, dan is er sprake van één multidisciplinaire DBC. Je mag dus aannemen dat als een bepaalde patiënt met artrose wordt doorgestuurd (door orthopeed/chirurg) naar de reumatoloog, twee DBC’s dus ook tot discussies kan leiden. De discussie zal dan met name draaien om wie de hoofdbehandelaar is, of er sprake is van eigen diagnosestelling en behandeling, of er meerdere zorgvragen vanuit de patiënt zijn, etc.. In dit artrose voorbeeld zal de orthopeed/chirurg al snel als hoofdbehandelaar gezien worden en de reumatoloog als ondersteuner (zonder eigen zorgtraject). Er is een coulance regeling afgesproken. Maar ook in de toekomst zullen deze aangescherpte – verduidelijkte regels ongetwijfeld tot discussies gaan leiden. Zaken als ‘behandelen’ en ‘hoofdbehandelaar’ lijken nog onvoldoende gedefinieerd en we denken dat je als specialist op dit moment zelf een afweging moet maken of een bepaalde casus wel/geen apart zorgtraject is en lokale afspraken zullen daar een rol bij spelen. Ik verwacht dat men dit landelijk t.z.t. op de bekende wijze via de ICT dicht metselt.  Deze aangescherpte / verduidelijkte regels kunnen dus flinke impact hebben. Bijgaand het stuk waar het e.e.a. opgenomen staat. Op pag. 7 staat de omschrijving van verrichting 190010 – multidisciplinair consult:

“Deze activiteit kan door iedere betrokken specialist worden vastgelegd en maakt onderdeel uit van het DBC-zorgproduct van de hoofdbehandelaar. De hoofdbehandelaar mag naast deze activiteit een polikliniekbezoek vastleggen in zijn DBCzorgproduct.”

Bijlage: CI-14-3c-Circulaire Toelichtingen;  Handboek Gebruik Zorgactiviteiten  bijgewerkt tot en met RZ14c Versie 20140501

 4. Bij welke tijdsduur is dagbehandeling declareerbaar?
Is medicatie infuus toediening lang genoeg in tijd om te kunnen registreren als dagbehandeling? Nieuwegein heeft controle gehad van de NZA. De duur van de dagbehandeling is hiervan een item. Het aantal uren dat dit duurt, is hierin vast gelegd, namelijk 2 of meer uur. De vraag is of bepaalde medicatie toedieningen hierin aan voldoen. Alleen APD en zolendronaat zijn binnen de reumatologie korte behandelingen. De bijsluiter van het medicijn bepaalt hoe lang een dagbehandeling duurt.  Het is van belang om de duur van de dagbehandeling goed te registreren en hierbij juist te declareren.

 5. Duur DBC gewijzigd per 2015?
De overheid heeft besloten om vanaf 2015 de looptijd van DOTs te verlagen naar 120 dagen om zodoende sneller en actueler over stuurinfo te kunnen beschikken. Voor ziekenhuizen en specialisten heeft dit naast meer actuele managementdata ook het voordeel van een meer constante cashflow. De NVR is daarom a priori niet tegen deze wijziging, maar voorziet wel problemen voor onze DBC-zorgproducten, die immers grotendeels chronisch zijn en derhalve op een looptijd van 360 dagen zijn gebaseerd. Deze worden in het nieuwe systeem geknipt in producten van 120 dagen, waardoor er relatief maar weinig producten overblijven, die onderling op deze ‘’korte’’ looptijd te weinig onderscheidend zijn. Bovendien treedt er een aanzienlijke uitval op van activiteiten, die plaatsvinden tussen 2 polibezoeken, die langer dan de looptijd van de DOT van 120 dagen uit elkaar liggen. Financieel heeft dat in eerste instantie waarschijnlijk weinig negatieve gevolgen door de voorgestelde compensatieregeling, maar de NVR is bevreesd voor de onderhandelingspositie op langere termijn als de resterende, schaarse producten geen onderscheidend profiel meer hebben, de werklast niet meer adequaat weerspiegelen en als er een grote restpost ‘’uitval’’ overblijft, die telkens gehonoreerd moet worden buiten de DOT-prijzen. De NVR is daarom  in overleg met Orde, NZA en DBC-onderhoud om onze boomstructuur aan te passen aan een looptijd van 120 dagen.

6. Wat is ICD-10 en wanneer wordt deze ingevoerd?
De ICD-10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems) is de internationale standaardindeling van diagnostische termen voor de epidemiologie en de analyse van de algemene gezondheidstoestand van bevolkingsgroepen. Tevens monitort de ICD-10 de incidentie en prevalentie van ziekten en gezondheidsproblemen. De ICD-10 wordt in ziekenhuizen al gebruikt door medisch codeurs om, naast hoofddiagnose, ook nevendiagnoses en aanvullende registraties zoals morfologie vast te leggen. Deze gegevens worden aangeleverd aan de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ) van de NVZ en de NFU en worden gebruikt voor de berekening van bijvoorbeeld de sterftecijfers van het ziekenhuis.  Met ingang van 1 juli 2015 stelt de NZa verplicht dat bij elk DOT zorgproduct, naast de typerende diagnose, de hoofddiagnose conform de ICD-10 wordt vastgelegd. De poortspecialist wordt verantwoordelijk voor de registratie van de ICD-10 diagnosecode. De instelling moet deze vervolgens meesturen in de aanlevering van gegevens aan het DBC-informatiesysteem. Om te voorkomen dat de administratieve last toeneemt door deze registratieverplichting, overwegen veel ziekenhuizen een diagnosethesaurus te gebruiken . Dit is een verzameling van medisch herkenbare termen met koppelingen naar diverse codestelsels. Met de diagnosethesaurus legt de medisch specialist de diagnose eenmalig vast en wordt deze vervolgens vertaald naar meerdere codestelsels zoals ICD-10 en DBC. Wetenschappelijke verenigingen zijn of worden betrokken bij de autorisatie van de koppelingen.

Bijlage: zie RBB15-003 voorlegger ICD-10
ICD 10 codering 0324_reumatologie_compleet_20160926_september-2016-2-17_uitleverformaat3-1

7. Wat wordt bedoeld met substitutie van zorg?
Het structureel verplaatsen van zorgaanbod van het ziekenhuis naar eerste en anderhalvelijnszorg is een kernelement in VWS-beleid en daarom ook onderdeel van de Kwaliteits- en doelmatigheidsagenda in het Hoofdlijnenakkoord. Zorgverzekeraars zullen in de zorginkoop ook steeds vaker focussen op mogelijkheden voor substitutie en hierop de financiële kaders aanpassen. Dit heeft direct consequenties voor het zorgaanbod in de instelling en dus voor de medisch specialisten. De Federatie Medisch Specialisten heeft om deze reden een werkgroep Substitutie in het leven geroepen, met leden uit de Raad Beroepsbelangen en de Raad Kwaliteit. Deze werkgroep ontwikkelt een visie en monitort de landelijke ontwikkelingen. Uiteraard wordt er met betrekking tot substitutie nauw samengewerkt met de beroepsverenigingen voor huisartsen.

8. Wat is een DOT?
Sinds 2012 is er een gewijzigd registratie- en declaratiesysteem voor medisch specialistische prestaties. Waren er eerst 30.000 DBC’s (Diagnose Behandel Combinatie), nu zijn er ongeveer 4.400 DOT’s (DBC’s Op weg naar Transparantie). De DOT-zorgproducten zijn medisch beter herkenbaar omdat zij specialisme-overstijgend zijn. Binnen DOT wordt de diagnose gekoppeld aan de ICD-10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems). Een DOT-zorgproduct omvat het totale traject van de diagnose die de zorgverlener stelt tot en met de (eventuele) behandeling. De DOT-zorgproducten worden afgeleid uit de basisregistratie van het ziekenhuis. Op basis van de uitgevoerde activiteiten en verrichtingen in het ziekenhuis wordt via een landelijk algoritme (de grouper) bepaald welk product uiteindelijk kan worden gedeclareerd.  Maar dan moet de behandeling wel correct geregistreerd zijn door de zorgverlener. DBC Onderhoud en de NZa werken samen met de partijen die betrokken zijn bij DOT (NVZ, NFU, ZN, ZKN, en de Federatie Medisch Specialisten) aan de doorontwikkeling van DOT. Verdere ontwikkeling en verbeteringen aan het DOT-systeem worden via releases uitgeleverd aan het veld. DBC Onderhoud levert één beleidsrijke release per jaar uit en een tweetal kleine correctiereleases. Verzoeken voor doorontwikkeling of het corrigeren van fouten geeft u door via de website van DBC Onderhoud.

9. Wat is de Logex benchmarkanalyse?
De Logex Benchmarkanalyse geeft objectief inzicht in de prestaties per vakgroep. Benchmarken is wereldwijd verkozen tot een van de meest effectieve en hoogst gewaardeerde managementtools. Het zou een helder en eenduidig inzicht moeten geven op basis van vier pijlers:
1.Validatie:
>1000 controle –en validatiechecks op ontvangen data
-ontvangst en verwerking ruwe brondata op patientniveau
-valdidatierapport bvevindingen naar ziekenhuis en medische staf
-opgave FTE formaties ter referentie
2.Draagvlak:
Afstemmen uitgangspunten voor analyse
-methodologie ontwikkeld in samenwerking met medisch specialisten
-jaarlijkse “APK Keuring” door Wetenschappelijke Verenigingen
-in samenwerking met LAD voor specialisten in dienstverband
3.Benchmark:
Verschillende benchmarks voor optimale vergelijkbaarheid
->50 ziekenhuizen opgenomen in de benchmark
-selectie peergroup per categorie ziekenhuis (SAZ-OvA-STZ)
-verfijning voor vakgroepene met specifieke zorgtaken
4.Resultaten:
Visueel rapport met heldere inzichten
-vergelijking op drie niveaus: operationeel, financieel en efficiency
-spiegeling resultaten aan huidige formatie
-plenaire -en vakgroeppresentatie

C. NUTTIGE WEBSITES:

www.nza.nl

www.zorgwijzer.nl/fac/dbc

www.rijksoverheid.nl

www.logex.nl

www.demedisch specialist.nl

Updated 16-5-2017

Commissie Accreditatie

Dr. E.M. Colin, voorzitter (2014)

Mevrouw M.N. Efdé (2015)

D. ten Cate namens juniorensectie (2017)

M. Vis (2014)

Mevrouw dr. D. Vosse (2014)

 

Commissie kwaliteit (inclusief werkgroep richtlijnen)

Prof.dr. R.B.M. Landewé, voorzitter (2012)

Dr. I. Meek

Dr. A.A. den Broeder (2014)

J. Bürer (2016)

A.A.M. Blaauw (2017)

Dr. H.E. Vonkeman (2011)

J.T.H. van Zadelhoff (2012)

Mevrouw N.M. Basoski (2013)

Mevrouw M.N. Nabibux (2013)

Dr. S.W. Tas (2013)

Dr. P. Veldt-Kok

Dr. K. Visser

Dr. G. Snijders

Mevrouw H. Oudenhoven, namens juniorensectie

 

 

 

Vertrouwenscommissie

Mevrouw dr. J.C.M. Oostveen, Ziekenhuisgroep Twente

Dr. A.H.M. Heurkens, Meander Medisch Centrum, Amersfoort

Concilium Rheumatologicum en Plenaire Visitatie Commissie Reumatologie

Momenteel is er een vacature in het concilium/plenaire visitatiecommissie (PVC) voor een perifeer werkend reumatoloog. Affiniteit met kinderreumatologie strekt tot aanbeveling

Het concilium bestaat uit:

Prof. Dr. J.M. van Laar, voorzitter (2014)

Prof. Dr. D. van Schaardenburg, secretaris (2012)

Prof. Dr. W.F. Lems, namens bestuur (2008)

Mevrouw Prof. Dr. M. Kloppenburg (2013)

Dr. H.E. Vonkeman (2014)

Prof. Dr. A.E. Voskuyl (2014)

Mevrouw Dr. D. van Zeben (2013)

Mevrouw Dr. D. Vosse (2015)

Mevrouw Dr. A. Spoorenberg (2015)

Mevrouw Dr. A. Willemze, namens juniorensectie (2017)

Mevrouw S.M. Kuipers, namens juniorensectie (2017)

Mevrouw L. Geurts-van Bon, namens juniorensectie (2017)