Sluiten
Reumatoloog van de toekomstLees het beleidsplan  >

In Memoriam Nol Cats

Het verhaal van ons leven is niet het leven, het is ons verhaal. Mijn verhaal over Nol Cats begint in 1979 toen ik in het kader van de opleiding tot internist voor een stage terecht kwam op de Afdeling Reumatologie van Professor Cats. Ik was onder de indruk van de zorgvuldige patiëntenzorg daar, de enorme ziektelast van reumapatiënten en de veilige werksfeer, en vroeg of ik mocht blijven. Nol Cats had een sterke positie in het toenmalige AZL. Hij was al tijdens zijn studie geneeskunde aan de slag gegaan bij een werkgroep die ging over de toepassing van het nieuwe wondermiddel van die tijd: prednison. Nol distribueerde de beperkt beschikbare hoeveelheden en bewerkte er een proefschrift over. Dit bracht hem in contact met de groten uit die tijd: Querido en Mulder, en wekte zijn belangstelling voor de reumatologie.

Nadat in 1933 Kuenen de reumatologie binnen de Leidse interne geneeskunde had gehaald, werd na de oorlog een aparte afdeling reumatologie opgericht onder leiding van Hans Goslings, de eerste Hoogleraar Reumatologie in Nederland. Het aan deze afdeling verbonden Instituut voor Reumaonderzoek ontwikkelde zich sterk in de celbiologie, immunologie en epidemiologie, maar ging ten onder aan interne strubbelingen. In 1972 werd Nol benoemd tot hoogleraar en belast met de wederopbouw. Reumazorg voor die tijd bestond vooral uit pijnbestrijding, fysische therapie en algemene medische zorg. Reumapatiënten konden maanden lang opgenomen zijn in de reumakliniek van het AZL of in de daaraan verbonden Reumakliniek Sole Mio te Noordwijk. Pas in de jaren hierna werden middels zorgvuldig gecontroleerd klinisch onderzoek nieuwe anti-reumatica ontwikkeld. Onder leiding van Nol Cats ontwikkelde de Leidse reuma-afdeling zich tot een actief centrum in de nationale en internationale reumatologie. Nu 32 jaar na zijn emeritaat kun je zeggen: je bent zo goed als wat je na laat.

Nol kreeg dat voor elkaar door een goede integratie van zijn afdeling in de academische gemeenschap. De categorale kliniek Sole Mio werd ondergebracht in het LUMC tussen de andere interne deelspecialismen. Ook smeedde hij nauwe banden met de klinische epidemiologie, diverse researchlaboratoria en buitenlandse afdelingen. Maar vooral bouwde Nol aan zijn groep met het inspireren van jonge artsen om met hem het vak verder te ontwikkelen. Voor iedereen die onderzoek wilde doen werd ruimte gemaakt. Klinische vaardigheden werden heel zorgvuldig overgedragen. Nol heeft een groot aantal gemotiveerde reumatologen voortgebracht die het vak stevig op de kaart hebben gezet. In de herinnering van hen leve hij voort.

Vóór alles was Nol een goede dokter. Hij leverde reumazorg als geen ander. Zo liep hij een dag per week grote visite in Sole Mio. Hij kende alle 40 ziektegeschiedenissen van de opgenomen patiënten en verdiepte zich in hun klachten en betrok de privésituatie er bij. Aan het einde van de dag liet hij het huis in vrede achter. In het weekeinde ging hij nog even langs bij de meest zieke patiënten en dronk koffie met de verpleging. Ze hebben Nol nog lang herinnerd.

Nol heeft veel mensen aan zich gebonden. Dat betekent niet dat hij amicaal was. De meesten van ons gingen pas op gevorderde leeftijd over van Professor Cats naar Nol. Ook was hij niet erg democratisch. Hij deed precies wat hij in zijn hoofd had. Wat wel bijdroeg is dat hij geen enkele neiging voor narcisme had. Er was eens op een refereeravond dat Jack Terwiel zei: Professor, deze voordracht van U krijgt van mij niet meer dan een 6 min. Dat verstoorde de sfeer in het geheel niet. De beste verklaring voor het inspirerende van Nol was dat hij werkelijk luisterde en oprechte belangstelling had voor iedereen. Tegen iedereen die zich ergens zorgen over maakte zei hij: Je moet nooit ergens tegenop zien. Hij werd een optimistische en wijze man gevonden. Nol kende de donkere kant van het bestaan, maar sprak zelden over teleurstellingen. “Alles is veel, voor wie niet veel verwacht” moet het voor hem geweest zijn. Als je hem zag in witte jas met studenten of patiënten, dan zag je iemand die volledig in het nu opging. De goede dingen, goed doen. Daar ging het hem om. Een tevreden mens.

In de vele jaren na zijn emeritaat heeft Nol met veel vroegere medewerkers het contact onderhouden. Hij was een geziene gast op veel feestjes en verbaasde de gasten door als 97-jarige desnoods na middernacht op de fiets naar huis te gaan. Aan de toenemende veroudering besteedde hij niet veel woorden. Het is nu eenmaal zo. Hij leek het afscheid niet te vrezen. Het noodlot dat de familie recent, en zeker ook in 40-45 had getroffen, had veel meer betekenis. Terugkijkend op zijn leven vond hij dat het prachtig was geweest. Hij moest lachen om het aforisme van Jules Deelder: “Alles blijft, alles gaat voorbij, alles blijft voorbij gaan”. Het overlijdensbericht van de familie zei het precies: “Nol was een wijs en inspirerend man”. In ons leeft hij voort.

Ferry Breedveld

 

Deel deze pagina

Geplaatst op: 27-12-2021